kiev was een bruisende stad

Lang voordat de oorlog uitbrak in de Oekraïne. En lang voor het drama met het "Nederlandse" vliegtuig, was Kiev een stad die baadde in een bruisende bovenzinnelijke energie. Mannen in Armani maatpakken haastten zich onder de kastanjebomen. Agenten joegen de zwervers op. Lokettisten eisten smeergeld. En langs de horizon tegen de heuvels herrezen de koepels van de orthodoxe basilieken. Eeuwenoude kathedralen met Michelangelo-achtige fresco's, fabelachtig gerenoveerd.

Toen wandelde ik in de geboortestad van mijn grootvader. De hitte was ondraaglijk, maar het scheen niemand te deren. In de koele ondergrondse boetieks werden Pradatassen, Diorjasjes en handgemaakte schoenen verkocht. Het was alsof de gereïncarneerde vorstinnen uit het tsaristische tijdperk, die Tolstoi zo indringend beschreef, hier winkelden. Met de trolleybus reisde ik naar de botanische tuinen waar sprinkhanen in het droge gras tjirpten. In het aangrenzende bos straalden de bomen een heel andere energie uit. Er was het geluid van kerkklokken. En in de schaduw van de cipressen op het steile pad naar het Vidoebitski-klooster lagen honden te soezen.

Groene koepels met gouden pieken reikten verlangend naar de helder blauwe lucht. Achter de kerk lag de groentetuin voor de cenobieten. Ik stond stil op de heuvel te hijgen. In de verte stroomde de Dnjepr-rivier.'Hier een atelier voor mijn textiele objecten', schoot er door mij heen. Op een vreemde manier voelde ik me thuis.
Voor de kapel zegende een priester in vol ornaat een Toyota Landcruiser. Door de openstaande ramen klonk een meditatieve lofzang. Binnen verstomde het gehuil van baby's. Vermoeide gezichten begonnen te stralen. Gelovigen kusten de handen van rondlopende monniken. Een vrouw op versleten sandalen knielde voor Jezus aan het kruis. Een kleine menigte dromde samen. Zware eikenhouten deuren kierden open. De aartspriester kwam aangeschreden. Zijn wierookvat zwierde alle kanten op. Hij leek in trance. Eenvoudig geklede mensen bogen devoot. In het midden van de kerk nam de gedaante in goud bestikt gewaad de zwarte hoge hoed met rode sleep af, om op symbolische wijze voor de hemelpoort verantwoording af te leggen. Het was allemaal pracht en praal, ver weg van de soldaten die zonder armen of benen hun inkomen bij elkaar moesten bedelen. Ver weg van de bejaarden die hongerig door het stadscentrum zwierven.

Maar ik wandelde door de geboortestad van mijn grootvader. Af en toe informeerde ik naar de naam Lisowitsjenko, in de ijdele hoop een ver familielid te ontmoeten. Ik kende mijn grootvader alleen uit de verhalen. En dat waren er niet veel. Hij was intellectueel. Hij was kapitalist. Hij deed in textiel. Voordat hij geliquideerd werd door fundamentalistische communisten, was hij een piepjonge inkoopmanager bij het Bijenkorfachtige concern van mijn oom. Uit angst vernietigde mijn Russische oma alle papieren en verhuisde met haar kind terug naar het ouderlijk huis.

In het restaurant van het hotel, dat vaag aan betere tijden doet denken, besprak ik mijn belevenissen met de bazin. Een dikke Oekraïense, die ooit in een Oost-Duits staatshotel kameraad Brezjnev mocht ontvangen, maar na de omwenteling weer naar huis verdreven werd. Op de eerste etage resideerde de boekhoudster met een ouderwets zwarte bril voor haar kippige ogen. Ze was op een vriendelijke manier nieuwsgierig. Zelfs de portier in zijn hokje toonde belangstelling. Dit zou familie kunnen zijn. En dat is ook wat waard.



Geen opmerkingen: